Voor 16:00 besteld, vandaag verzonden

Altijd perfect garantie: Foutje? Gratis opnieuw gemaakt

Voor 16:00 besteld, vandaag verzonden

We maken jouw cadeau met zorg en zorgen dat het razendsnel onderweg is - zodat jij kunt geven op precies het juiste moment, wanneer het het meeste betekent.

4,8 (gebaseerd op +8.000 reviews)

Onze cadeaus worden gewaardeerd. Klanten beoordelen ons met een 4,7 op Google Reviews

Altijd perfect garantie: Foutje? Gratis opnieuw gemaakt

Personaliseer met een gerust hart. Maak je per ongeluk een typfoutje of kies je een verkeerde foto, dan maken wij 'm gratis opnieuw. Jouw geefmoment staat altijd op één.

Feliscia S.3 november 2026

In vrijwel heel België worden per inwoner minder kinderen geboren dan ruim tien jaar geleden. Die daling is in sommige gemeenten veel sterker dan in andere, en er zijn ook plaatsen waar het aantal per inwoner juist steeg. YourSurprise onderzocht met Statbel-cijfers hoe de geboortecijfers in alle 565 gemeenten zijn veranderd en hoe groot de verschillen tussen provincies en gewesten zijn.

België ging van jaarlijks gemiddeld 11,4 geboorten per 1.000 inwoners in 2011–2013 naar 9,2 in 2023–2025: een afname van 19,3%. In 524 gemeenten daalde het aantal geboorten per inwoner; in 41 gemeenten steeg het. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kende met 31,2% een sterkere daling dan Vlaanderen en Wallonië. Voeren heeft van alle gemeenten de grootste stijging per inwoner: 24,0%. Het totale aantal geboorten ging daar van 107 naar 141 over drie jaar.

Hoe hebben we dit onderzocht?

YourSurprise vergeleek op basis van Statbel-cijfers het gemiddelde jaarlijkse aantal geboorten per 1.000 inwoners in 2011–2013 met 2023–2025. Voor het totale aantal geboorten gebruiken we precies dezelfde perioden. De gebruikte gemeentelijke reeks begint in 2011. Door daar te starten, kunnen we alle Belgische gemeenten over dezelfde jaren vergelijken.

We nemen telkens drie jaren samen, zodat één jaar met opvallend veel of weinig geboorten minder zwaar meeweegt. Het aantal per 1.000 inwoners staat voorop omdat de bevolking ook verandert: een gemeente kan in totaal meer geboorten tellen, terwijl het aantal per inwoner daalt.

Voor beide vergelijkingen tellen alle 565 gemeenten mee. We rekenen de cijfers terug naar de gemeentegrenzen van 2025 door bij samenvoegingen de geboorten én inwoners van de vroegere gemeenten op te tellen. Ook kleine gemeenten blijven in het onderzoek. Bij opvallende percentages noemen we daarom de aantallen erbij. Meer uitleg over de berekeningen en de aanvullende cijfers over gezinnen en eerste geboorten staat in de onderzoeksverantwoording onderaan deze pagina.

Waar daalde of steeg het aantal geboorten per 1.000 inwoners het sterkst?

Herstappe heeft de grootste procentuele daling, maar daar gaat het om bijzonder kleine aantallen: vier geboorten in heel 2011–2013 tegenover nul in 2023–2025. Daardoor daalde het jaarlijkse aantal geboorten per 1.000 inwoners van 15,6 naar 0,0, een afname van 100%.

Daarna volgt Modave, waar het aantal geboorten per 1.000 inwoners met 42,5% afnam: van 11,6 naar 6,7. Over drie jaar ging het om 141 tegenover 84 geboorten, oftewel gemiddeld 47 tegenover 28 per jaar. In Lens daalde het geboortecijfer per inwoner met 41,5%, van 12,1 naar 7,1. Daar werden over drie jaar 156 tegenover 99 kinderen geboren.

Ook La Roche-en-Ardenne en Lierneux laten een daling van meer dan 40% zien: 41,3% en 40,9%. La Roche-en-Ardenne ging van 132 naar 75 geboorten over drie jaar, Lierneux van 119 naar 73. De daling beperkt zich dus niet tot de kleinste gemeente: in 524 van de 565 gemeenten worden per inwoner minder kinderen geboren dan begin jaren 2010.

De tien grootste procentuele dalingen in het jaarlijkse aantal geboorten per 1.000 inwoners. We vergelijken 2011–2013 met 2023–2025.

  • Herstappe: 100,0% daling. Van gemiddeld 15,6 naar 0,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Modave: 42,5% daling. Van gemiddeld 11,6 naar 6,7 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Lens: 41,5% daling. Van gemiddeld 12,1 naar 7,1 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • La Roche-en-Ardenne: 41,3% daling. Van gemiddeld 10,4 naar 6,1 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Lierneux: 40,9% daling. Van gemiddeld 11,3 naar 6,7 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Rouvroy: 39,4% daling. Van gemiddeld 12,7 naar 7,7 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Sint-Gillis: 39,0% daling. Van gemiddeld 16,3 naar 9,9 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Anthisnes: 38,8% daling. Van gemiddeld 10,7 naar 6,6 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Gembloux: 38,6% daling. Van gemiddeld 13,3 naar 8,1 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Lijsem: 38,5% daling. Van gemiddeld 11,2 naar 6,9 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.

Voeren, Wellin en Olne hebben de grootste stijging per inwoner

In 41 gemeenten steeg het aantal geboorten per inwoner. Voeren staat bovenaan met een toename van 24,0%: van 8,6 naar 10,7 geboorten per 1.000 inwoners. Over drie jaar groeide het aantal geboorten van 107 naar 141, of van gemiddeld 35,7 naar 47 per jaar.

Wellin volgt met 21,5% meer geboorten per inwoner, van 8,3 naar 10,0 per 1.000. Het gaat om 74 tegenover 96 geboorten over drie jaar. In Olne steeg het cijfer per inwoner met 18,5%, van 7,5 naar 8,8, bij 86 tegenover 110 geboorten. Veurne en Wommelgem maken de top vijf compleet met stijgingen van 16,9% en 16,0%.

De tien grootste procentuele stijgingen in het jaarlijkse aantal geboorten per 1.000 inwoners. We vergelijken 2011–2013 met 2023–2025.

  • Voeren: 24,0% stijging. Van gemiddeld 8,6 naar 10,7 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Wellin: 21,5% stijging. Van gemiddeld 8,3 naar 10,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Olne: 18,5% stijging. Van gemiddeld 7,5 naar 8,8 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Veurne: 16,9% stijging. Van gemiddeld 6,9 naar 8,1 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Wommelgem: 16,0% stijging. Van gemiddeld 8,6 naar 10,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Glabbeek: 13,6% stijging. Van gemiddeld 7,5 naar 8,5 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Aartselaar: 13,3% stijging. Van gemiddeld 7,9 naar 9,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Schilde: 13,0% stijging. Van gemiddeld 6,5 naar 7,3 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Sainte-Ode: 10,9% stijging. Van gemiddeld 12,0 naar 13,3 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Meise: 9,0% stijging. Van gemiddeld 8,6 naar 9,3 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.

Sint-Niklaas: 3,3% meer geboorten, maar 8,2% minder per inwoner

Waarom het uitmaakt om ook naar het aantal inwoners te kijken, is goed te zien in Sint-Niklaas. De stad telt jaarlijks gemiddeld 918 geboorten, tegenover 888 begin jaren 2010: een stijging van 3,3%. Toch daalde het aantal per 1.000 inwoners van 12,2 naar 11,2, een afname van 8,2%. De bevolking groeide er dus sterker dan het aantal geboorten.

In Turnhout nam het totale aantal geboorten met 11,1% toe, van gemiddeld 479 naar 532 per jaar. Per inwoner daalde het cijfer juist met 2,6%, van 11,5 naar 11,2 per 1.000. Ook daar groeide het inwonertal sneller dan het aantal geboorten.

Een vergelijking per 1.000 inwoners houdt rekening met de omvang van de bevolking, maar niet met verschillen in leeftijdsopbouw. Een gemeente met veel ouderen kan daardoor een lager geboortecijfer hebben. Het cijfer zegt dus niet hoeveel kinderen een vrouw of gezin gemiddeld krijgt.

Hoe veranderde het totale aantal geboorten?

Ook in absolute aantallen ligt het aantal geboorten lager. België telt in de laatste drie volledige jaren gemiddeld 108.794 geboorten per jaar, tegenover 126.503 begin jaren 2010. Dat is een daling van 14,0%. Omdat de bevolking in diezelfde periode met 6,6% groeide, is de afname per inwoner groter: 19,3%.

De afname verliep niet ieder jaar gelijk. Na 113.739 geboorten in 2020 volgde een stijging naar 117.914 in 2021. Daarna daalde het aantal weer: naar 113.593 in 2022, 110.198 in 2023, 108.150 in 2024 en 108.033 in 2025. De lichte toename in de eerste helft van 2026 volgt dus op vier volledige jaren met een daling.

Waar daalde het aantal geboorten en waar steeg het?

In 477 gemeenten daalde het totale aantal geboorten, in 83 steeg het en in vijf bleef het gelijk. Na Herstappe heeft La Roche-en-Ardenne de grootste procentuele daling: 43,2%, van gemiddeld 44 naar 25 geboorten per jaar. Modave volgt met 40,4% minder geboorten, van 47 naar 28 per jaar.

Sint-Gillis valt op doordat een grote procentuele daling samengaat met veel minder geboorten. De gemeente ging van gemiddeld 810 naar 487 geboorten per jaar, een afname van 39,9%. Dat zijn gemiddeld 323 geboorten minder per jaar. In Lierneux gaat het om kleinere aantallen: gemiddeld 39,7 tegenover 24,3 per jaar, een daling van 38,7%.

De tien grootste procentuele dalingen in het totale aantal geboorten. Aantallen zijn gemiddelden per jaar. We vergelijken 2011–2013 met 2023–2025.

  • Herstappe: 100,0% daling. Van gemiddeld 1,3 naar 0 geboorten per jaar.
  • La Roche-en-Ardenne: 43,2% daling. Van gemiddeld 44 naar 25 geboorten per jaar.
  • Modave: 40,4% daling. Van gemiddeld 47 naar 28 geboorten per jaar.
  • Sint-Gillis: 39,9% daling. Van gemiddeld 810 naar 487 geboorten per jaar.
  • Lierneux: 38,7% daling. Van gemiddeld 39,7 naar 24,3 geboorten per jaar.
  • Dinant: 38,1% daling. Van gemiddeld 162 naar 100 geboorten per jaar.
  • Rouvroy: 38,0% daling. Van gemiddeld 26,3 naar 16,3 geboorten per jaar.
  • Viroinval: 37,4% daling. Van gemiddeld 63,3 naar 39,7 geboorten per jaar.
  • Sint-Joost-ten-Node: 37,2% daling. Van gemiddeld 510 naar 320 geboorten per jaar.
  • Anthisnes: 37,1% daling. Van gemiddeld 44 naar 27,7 geboorten per jaar.

Herstappe telt vier geboorten in de eerste driejaarsperiode en nul in de laatste. De jaargemiddelden in de opsomming zijn daarom 1,3 en 0.

Voeren telt 31,8% meer geboorten, Wellin 29,7% meer

Voeren heeft ook in het totale aantal geboorten de grootste procentuele stijging: 31,8%. Over drie jaar werden er 34 kinderen meer geboren, van 107 naar 141. In Wellin ging het van 74 naar 96 geboorten, een stijging van 29,7%. Veurne volgt met 28,3%, van 237 naar 304 geboorten over drie jaar.

Olne en Wommelgem laten eveneens een toename van meer dan een kwart zien. In Olne steeg het totale aantal met 27,9%, in Wommelgem met 25,9%. Wommelgem ging van gemiddeld 107 naar 135 geboorten per jaar. In Somme-Leuze nam het aantal met 23,9% toe, van gemiddeld 53 naar 65,7 per jaar.

De tien grootste procentuele stijgingen in het totale aantal geboorten. Aantallen zijn gemiddelden per jaar. We vergelijken 2011–2013 met 2023–2025.

  • Voeren: 31,8% stijging. Van gemiddeld 35,7 naar 47 geboorten per jaar.
  • Wellin: 29,7% stijging. Van gemiddeld 24,7 naar 32 geboorten per jaar.
  • Veurne: 28,3% stijging. Van gemiddeld 79 naar 101 geboorten per jaar.
  • Olne: 27,9% stijging. Van gemiddeld 28,7 naar 36,7 geboorten per jaar.
  • Wommelgem: 25,9% stijging. Van gemiddeld 107 naar 135 geboorten per jaar.
  • Somme-Leuze: 23,9% stijging. Van gemiddeld 53 naar 65,7 geboorten per jaar.
  • Sainte-Ode: 22,7% stijging. Van gemiddeld 29,3 naar 36 geboorten per jaar.
  • Meise: 20,5% stijging. Van gemiddeld 158 naar 190 geboorten per jaar.
  • Edegem: 19,6% stijging. Van gemiddeld 204 naar 244 geboorten per jaar.
  • Aartselaar: 18,9% stijging. Van gemiddeld 113 naar 134 geboorten per jaar.

Antwerpen en Schaarbeek: jaarlijks 1.104 en 850 geboorten minder

De grootste afname in absolute aantallen ligt in de stad Antwerpen. Het gemiddelde aantal geboorten daalde er van 8.045 naar 6.941 per jaar, een afname van 13,7%. Dat zijn gemiddeld 1.104 geboorten minder per jaar. Schaarbeek volgt met een afname van gemiddeld 850 geboorten per jaar, van 2.492 naar 1.641. Procentueel is de daling daar met 34,1% veel groter.

In de stad Luik werden gemiddeld 655 kinderen per jaar minder geboren, in de gemeente Brussel 609 en in Sint-Jans-Molenbeek 601. In al deze gemeenten daalde ook het aantal geboorten per inwoner. Die afname loopt uiteen van 20,6% in Antwerpen tot 35,1% in Sint-Jans-Molenbeek.

De vijf grootste absolute dalingen. De aantallen zijn gemiddelde geboorten per jaar; het verschil is berekend vóór afronding. We vergelijken 2011–2013 met 2023–2025.

  • Antwerpen: 1.104 geboorten minder per jaar. Van gemiddeld 8.045 naar 6.941 geboorten per jaar.
  • Schaarbeek: 850 geboorten minder per jaar. Van gemiddeld 2.492 naar 1.641 geboorten per jaar.
  • Luik: 655 geboorten minder per jaar. Van gemiddeld 2.637 naar 1.982 geboorten per jaar.
  • Brussel: 609 geboorten minder per jaar. Van gemiddeld 2.802 naar 2.193 geboorten per jaar.
  • Sint-Jans-Molenbeek: 601 geboorten minder per jaar. Van gemiddeld 1.881 naar 1.280 geboorten per jaar.

Hoe verschilt de daling per provincie en gewest?

In alle tien provincies daalde het aantal geboorten per inwoner. Namen heeft met 24,0% de grootste afname, West-Vlaanderen met 12,6% de kleinste. Ook het totale aantal geboorten daalde procentueel het sterkst in Namen: 20,3%. Vlaams-Brabant heeft met 5,2% de kleinste daling in het totale aantal geboorten.

De tien provincies, van de grootste naar de kleinste procentuele daling in geboorten per 1.000 inwoners. We vergelijken 2011–2013 met 2023–2025. Alle cijfers zijn gemiddelden per jaar.

  • Namen: 24,0% daling. Van gemiddeld 11,2 naar 8,5 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Luxemburg: 21,5% daling. Van gemiddeld 12,0 naar 9,4 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Limburg: 21,1% daling. Van gemiddeld 10,3 naar 8,1 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Waals-Brabant: 21,0% daling. Van gemiddeld 10,1 naar 8,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Luik: 19,5% daling. Van gemiddeld 11,3 naar 9,1 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Henegouwen: 19,5% daling. Van gemiddeld 11,2 naar 9,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Antwerpen: 16,0% daling. Van gemiddeld 11,7 naar 9,9 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Oost-Vlaanderen: 15,9% daling. Van gemiddeld 10,9 naar 9,2 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • Vlaams-Brabant: 13,3% daling. Van gemiddeld 10,4 naar 9,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.
  • West-Vlaanderen: 12,6% daling. Van gemiddeld 9,7 naar 8,5 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.

Ter vergelijking: België: 19,3% daling. Van gemiddeld 11,4 naar 9,2 geboorten per 1.000 inwoners per jaar.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is geen provincie en staat daarom apart. Daar daalde het aantal geboorten per inwoner met 31,2%, sterker dan in Vlaanderen (15,6%) en Wallonië (20,5%). Toch worden in het Brusselse gewest nog steeds meer kinderen per inwoner geboren: jaarlijks 11,0 per 1.000, tegenover 9,2 in heel België.

De drie gewesten: het gemiddelde jaarlijkse aantal geboorten per 1.000 inwoners in 2023–2025. De dalingen vergelijken 2023–2025 met 2011–2013; we noemen zowel de daling per inwoner als die van het totale aantal geboorten.

  • Vlaams Gewest: 9,1 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. Per inwoner is dat een daling van 15,6%; het totale aantal geboorten daalde met 9,2%.
  • Waals Gewest: 8,9 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. Per inwoner is dat een daling van 20,5%; het totale aantal geboorten daalde met 17,2%.
  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest: 11,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. Per inwoner is dat een daling van 31,2%; het totale aantal geboorten daalde met 24,8%.

Antwerpen: 16,0% minder geboorten per inwoner, tegenover 19,3% landelijk

In de provincie Antwerpen daalde het aantal geboorten van 11,7 naar 9,9 per 1.000 inwoners. Die afname van 16,0% is kleiner dan de Belgische daling van 19,3%, maar de verschillen tussen gemeenten zijn groot: 56 gemeenten tellen minder geboorten per inwoner, terwijl er in elf een stijging is.

Grootste dalingen per inwoner in Hulshout en Westerlo

Hulshout heeft met 37,6% de sterkste daling van de provincie: van 10,6 naar 6,6 geboorten per 1.000 inwoners. Westerlo volgt op korte afstand met een afname van 37,2%, van 9,9 naar 6,2. Ook in Herselt is de daling groot. Daar ging het aantal geboorten per 1.000 inwoners van 9,5 naar 6,5, een afname van 32,1%.

Die drie gemeenten tellen ook in absolute aantallen minder geboorten. Hulshout ging van gemiddeld 107 naar 70 per jaar, een daling van 34,6%. In Westerlo nam het aantal met 34,0% af, van 242 naar 160 per jaar, en in Herselt met 30,2%, van 137 naar 95,7.

Meer geboorten per inwoner in Wommelgem, Aartselaar en Schilde

Wommelgem laat de sterkste stijging zien: 16,0% meer geboorten per inwoner, van 8,6 naar 10,0 per 1.000. Aartselaar volgt met 13,3% en Schilde met 13,0%. Wommelgem heeft ook de sterkste procentuele stijging van het totale aantal geboorten in de provincie: van gemiddeld 107 naar 135 per jaar, een toename van 25,9%.

Turnhout laat zien dat beide ontwikkelingen niet altijd gelijk oplopen. De stad telt gemiddeld 532 geboorten per jaar tegenover 479 voorheen, een stijging van 11,1%. Toch ligt het aantal geboorten per inwoner 2,6% lager. De toename van 53 geboorten per jaar is wel de grootste absolute stijging van de provincie.

Antwerpen telt jaarlijks 1.104 geboorten minder

Over de hele provincie nam het gemiddelde aantal geboorten af van 20.768 naar 18.887 per jaar, een daling van 9,1%. De grootste absolute afname ligt in de stad Antwerpen: van 8.045 naar 6.941 geboorten per jaar, 13,7% minder. Dat zijn gemiddeld 1.104 geboorten minder per jaar. In Mechelen daalde het aantal van 1.201 naar 984, een afname van 18,1% en gemiddeld 217 geboorten per jaar.

Henegouwen: 19,5% minder geboorten per inwoner, tegenover 19,3% landelijk

Henegouwen ging van 11,2 naar 9,0 geboorten per 1.000 inwoners. De daling van 19,5% ligt dicht bij de landelijke afname van 19,3%. In alle 69 gemeenten daalden zowel het aantal geboorten per inwoner als het totale aantal geboorten.

Lens heeft de sterkste daling per inwoner

In Lens nam het aantal geboorten per 1.000 inwoners af van 12,1 naar 7,1. Die daling van 41,5% is de grootste van de provincie. Het gaat om 156 geboorten in de eerste driejaarsperiode en 99 in de laatste, oftewel gemiddeld 52 tegenover 33 per jaar. Het totale aantal geboorten daalde daarmee met 36,5%.

Momignies volgt met 34,0% minder geboorten per inwoner, van 12,5 naar 8,3 per 1.000. In Jurbeke bedraagt de afname 32,8%, van 9,9 naar 6,7 per 1.000. Ook hier zijn de aantallen bescheiden: Momignies telde 200 tegenover 130 geboorten over drie jaar en Jurbeke 302 tegenover 218.

In Opzullik is de daling het kleinst

Een stijging is er nergens in Henegouwen. Opzullik heeft met 3,5% de kleinste procentuele daling per inwoner: van 7,8 naar 7,5 geboorten per 1.000. Over drie jaar daalde het totale aantal er slechts van 191 naar 190 geboorten.

Daarna volgen Aiseau-Presles met 7,3% minder geboorten per inwoner en Anderlues met een afname van 7,8%. Ook Anderlues telt over drie jaar maar één geboorte minder: 397 tegenover 398. Dat kleine verschil in aantallen gaat dus samen met een duidelijkere daling per inwoner.

Grootste absolute afname in Charleroi, Bergen en La Louvière

Provinciaal daalde het gemiddelde aantal geboorten van 14.821 naar 12.263 per jaar, een afname van 17,3%. Charleroi heeft de grootste absolute daling: van 2.661 naar 2.200 geboorten per jaar, gemiddeld 461 minder en een afname van 17,3%.

In Bergen ging het aantal van 1.099 naar 855 per jaar, een daling van 22,2%. La Louvière volgde met gemiddeld 940 tegenover 745 geboorten, 20,8% minder. Per inwoner zijn de dalingen in Bergen en La Louvière met 24,8% en 23,1% eveneens groter dan de provinciale afname.

Limburg: 21,1% minder geboorten per inwoner, tegenover 19,3% landelijk

Het aantal geboorten per 1.000 inwoners daalde in Limburg van 10,3 naar 8,1. Met een afname van 21,1% is de daling groter dan de Belgische 19,3%. Voeren is de enige Limburgse gemeente waar het geboortecijfer per inwoner steeg; de overige 37 gemeenten laten een daling zien.

Herstappe telt vier geboorten tegenover nul

De grootste procentuele afname staat op naam van Herstappe, maar daarbij gaat het om de kleinste aantallen: vier geboorten in heel 2011–2013 tegenover geen in 2023–2025. Daardoor daalt het aantal geboorten per inwoner met 100%, van 15,6 naar 0,0 per 1.000 inwoners.

Herk-de-Stad volgt met 32,6% minder geboorten per inwoner, van 9,8 naar 6,6 per 1.000. Tessenderlo-Ham heeft de derde grootste daling: 31,7%, van 10,9 naar 7,4. In beide gemeenten nam ook het gemiddelde aantal geboorten af, van 121 naar 85,3 per jaar in Herk-de-Stad en van 311 naar 227 in Tessenderlo-Ham.

Voeren heeft landelijk de grootste stijging per inwoner

Voeren vormt een duidelijke uitzondering. Het aantal geboorten per 1.000 inwoners steeg van 8,6 naar 10,7, een toename van 24,0%. Dat is de grootste procentuele stijging van alle Belgische gemeenten. Over drie jaar gaat het om 107 tegenover 141 geboorten: gemiddeld 35,7 tegenover 47 per jaar. Het totale aantal geboorten nam daarmee 31,8% toe.

Hamont-Achel heeft met 6,4% de kleinste procentuele daling per inwoner van de provincie. Alken en Kinrooi volgen met afnames van 8,2% en 9,0%. Hun dalingen zijn daarmee duidelijk kleiner dan het provinciale gemiddelde.

Hasselt heeft de grootste afname in aantallen

Limburg telt gemiddeld 7.303 geboorten per jaar tegenover 8.733 in de beginperiode, een daling van 16,4%. Hasselt heeft de grootste absolute afname: gemiddeld 156 geboorten minder per jaar, van 893 naar 737. Dat komt neer op 17,5% minder geboorten.

Beringen en Bilzen-Hoeselt tellen allebei gemiddeld 112 geboorten minder per jaar. In Beringen daalde het aantal van 526 naar 414, een afname van 21,2%; in Bilzen-Hoeselt van 437 naar 325, een afname van 25,6%. Genk ging van 689 naar 583 geboorten per jaar, 15,5% minder.

Luik: 19,5% minder geboorten per inwoner, tegenover 19,3% landelijk

De provincie Luik ging van 11,3 naar 9,1 geboorten per 1.000 inwoners. De afname van 19,5% ligt dicht bij de landelijke daling van 19,3%. Achter dat gemiddelde gaan grote lokale verschillen schuil: 77 gemeenten tellen minder geboorten per inwoner, terwijl zeven gemeenten een stijging laten zien.

Grootste dalingen per inwoner in Modave, Lierneux en Anthisnes

Modave heeft de sterkste daling van de provincie. Het aantal geboorten per 1.000 inwoners nam af van 11,6 naar 6,7, een afname van 42,5%. Over drie jaar ging het aantal geboorten van 141 naar 84, oftewel van gemiddeld 47 naar 28 per jaar.

Lierneux volgt met 40,9% minder geboorten per inwoner, van 11,3 naar 6,7 per 1.000. Over drie jaar gaat het om 119 tegenover 73 geboorten. In Anthisnes daalde het aantal geboorten per inwoner met 38,8%, van 10,7 naar 6,6 per 1.000, bij 132 tegenover 83 geboorten over drie jaar. Deze drie gemeenten hebben ook de sterkste procentuele dalingen in het totale aantal geboorten.

Olne, Engis en Aubel laten juist een stijging zien

In Olne steeg het aantal geboorten per 1.000 inwoners van 7,5 naar 8,8, een toename van 18,5%. Het gaat om 86 tegenover 110 geboorten over drie jaar. Engis en Aubel volgen met 6,9% en 6,3% meer geboorten per inwoner. Ook Büllingen, Baelen, Bütgenbach en Ferrières laten een stijging zien.

In Sankt Vith veranderde het aantal geboorten per inwoner nauwelijks: afgerond 9,6 per 1.000 in beide perioden, met een afname van 0,02%. Het gemiddelde aantal geboorten nam er wel toe, van 91 naar 97,3 per jaar. Ook hier geeft het totale aantal dus een ander beeld dan de verhouding tot het inwonertal.

De stad Luik telt gemiddeld 655 geboorten minder per jaar

Over de hele provincie daalde het gemiddelde aantal geboorten van 12.253 naar 10.184 per jaar, een afname van 16,9%. De grootste absolute afname ligt in de stad Luik: van 2.637 naar 1.982 geboorten per jaar. Dat zijn er gemiddeld 655 minder, een daling van 24,8%. Per inwoner bedraagt de afname 25,2%.

In Verviers nam het aantal geboorten af van gemiddeld 793 naar 609 per jaar, een daling van 23,2%; per inwoner is de afname 23,3%. Seraing telt gemiddeld 680 geboorten tegenover 800 voorheen. Dat is 15,0% minder in totaal en 16,1% minder per inwoner.

Luxemburg: 21,5% minder geboorten per inwoner, tegenover 19,3% landelijk

In de provincie Luxemburg daalde het aantal geboorten van 12,0 naar 9,4 per 1.000 inwoners. Die afname van 21,5% is groter dan de Belgische daling van 19,3%. Van de 43 gemeenten tellen er 38 minder geboorten per inwoner en vijf meer.

La Roche-en-Ardenne heeft de sterkste daling per inwoner

La Roche-en-Ardenne ging van 10,4 naar 6,1 geboorten per 1.000 inwoners, een afname van 41,3%. Het totale aantal geboorten daalde er nog sterker, met 43,2%: van 132 naar 75 over drie jaar, of gemiddeld 44 tegenover 25 per jaar.

Rouvroy en Fauvillers volgen met 39,4% en 37,7% minder geboorten per inwoner. Ook deze percentages gaan over kleine aantallen. Rouvroy telde 79 tegenover 49 geboorten over drie jaar; Fauvillers 89 tegenover 62. Het aantal geboorten per 1.000 inwoners daalde in Rouvroy van 12,7 naar 7,7 en in Fauvillers van 13,4 naar 8,3.

Meer geboorten per inwoner in Wellin en Sainte-Ode

Wellin heeft met 21,5% de grootste stijging per inwoner van de provincie: van 8,3 naar 10,0 geboorten per 1.000 inwoners. Over drie jaar nam het aantal geboorten toe van 74 naar 96. Sainte-Ode volgt met 10,9% meer geboorten per inwoner, van 12,0 naar 13,3 per 1.000, bij 88 tegenover 108 geboorten over drie jaar.

De andere drie stijgers zijn Saint-Hubert, Manhay en Herbeumont, met toenames per inwoner van 3,8%, 3,3% en 2,4%. Bouillon heeft met 6,7% de kleinste procentuele daling per inwoner, gevolgd door Erezée met 7,5% en Houffalize met 8,5%.

De grootste absolute afname ligt in Aarlen

Provinciaal nam het gemiddelde aantal geboorten af van 3.295 naar 2.784 per jaar, een daling van 15,5%. In Aarlen ging het van 364 naar 310 geboorten per jaar: gemiddeld 54 minder en een afname van 14,7%. Daarmee heeft Aarlen de grootste absolute daling van de provincie.

Bastenaken volgt met gemiddeld 257 tegenover 219 geboorten per jaar, een daling van 14,9%. Marche-en-Famenne ging van 195 naar 166, 15,0% minder. De afnames per inwoner zijn in Aarlen en Bastenaken met 22,9% en 24,7% groter dan de provinciale daling; in Marche-en-Famenne is de afname van 17,6% juist kleiner.

Namen: 24,0% minder geboorten per inwoner, tegenover 19,3% landelijk

Namen heeft met 24,0% de grootste daling per inwoner van de tien Belgische provincies. Het aantal geboorten ging van 11,2 naar 8,5 per 1.000 inwoners, tegenover een landelijke afname van 19,3%. Alleen Doische en Somme-Leuze laten een stijging zien; in de andere 36 gemeenten daalde het aantal geboorten per inwoner.

De sterkste daling per inwoner ligt in Gembloux

Gembloux ging van 13,3 naar 8,1 geboorten per 1.000 inwoners, een daling van 38,6%. Dinant volgt met 36,8% minder geboorten per inwoner, van 11,9 naar 7,5 per 1.000. In Philippeville nam het aantal af van 11,1 naar 7,1 per 1.000, een daling van 36,6%.

Bij de procentuele daling van het totale aantal geboorten staat Dinant bovenaan: gemiddeld 100 geboorten per jaar tegenover 162 in de beginperiode, een afname van 38,1%. Viroinval volgt met 37,4% minder geboorten, van 190 naar 119 over drie jaar. Philippeville telt 33,1% minder geboorten, met 302 tegenover 202 over drie jaar.

Twee stijgers: Doische en Somme-Leuze

In Doische nam het aantal geboorten per inwoner met 7,2% toe, van 8,5 naar 9,1 per 1.000. Over drie jaar gaat het om 74 tegenover 81 geboorten. Somme-Leuze heeft een kleinere stijging per inwoner, 2,4%, maar een grotere toename in het totale aantal: van 159 naar 197 geboorten over drie jaar, oftewel 23,9% meer.

Couvin heeft met 2,1% de kleinste procentuele daling per inwoner: van 8,8 naar 8,6 geboorten per 1.000 inwoners. Daarna volgen Florennes en Rochefort met dalingen van 12,8% en 13,8%.

Namen en Gembloux tellen de grootste absolute afnames

De provincie telt gemiddeld 4.300 geboorten per jaar tegenover 5.397 in de beginperiode, een daling van 20,3%. In de stad Namen ging het aantal van 1.265 naar 1.024 per jaar: gemiddeld 241 minder en een afname van 19,1%. Dat is de grootste absolute daling van de provincie.

Gembloux volgt met gemiddeld 323 tegenover 216 geboorten per jaar, een afname van 33,1%. In Andenne daalde het aantal van 311 naar 238 per jaar, 23,3% minder. Sambreville telt gemiddeld 239 geboorten tegenover 301 voorheen, een daling van 20,5%.

Oost-Vlaanderen: 15,9% minder geboorten per inwoner, tegenover 19,3% landelijk

Het aantal geboorten per 1.000 inwoners daalde in Oost-Vlaanderen van 10,9 naar 9,2. De afname van 15,9% is kleiner dan de landelijke 19,3%. Toch is de daling breed verspreid: 53 gemeenten tellen minder geboorten per inwoner. Alleen Horebeke en Maarkedal laten een stijging zien.

Ronse heeft de grootste daling per inwoner

In Ronse ging het aantal geboorten van 13,4 naar 9,2 per 1.000 inwoners, een afname van 31,7%. Daarmee is de daling er het grootst. Lokeren volgt met 25,4%, van 12,2 naar 9,1 per 1.000. Sint-Lievens-Houtem staat op de derde plaats met 24,4% minder geboorten per inwoner, van 10,2 naar 7,7.

Ronse heeft ook de sterkste procentuele afname in het totale aantal geboorten: van gemiddeld 342 naar 252 per jaar, een daling van 26,4%. In Lokeren ging het van 562 naar 458 geboorten per jaar, 18,5% minder. Sint-Lievens-Houtem telt gemiddeld 82,3 geboorten tegenover 102 voorheen, een afname van 19,0%.

Meer geboorten per inwoner in Horebeke en Maarkedal

De twee stijgers tellen geen groter aantal geboorten. In Horebeke bleef het totaal op 46 geboorten over drie jaar, terwijl het aantal per inwoner 2,2% toenam. Maarkedal ging van 147 naar 146 geboorten over drie jaar, maar laat per inwoner toch een stijging van 0,4% zien.

Ook aan de andere kant lopen de maten uiteen. Zelzate heeft met 5,1% de grootste procentuele stijging in het totale aantal geboorten van de provincie, van gemiddeld 124 naar 130 per jaar. Het aantal geboorten per inwoner ligt er juist 3,8% lager. In Sint-Martens-Latem bleef de daling per inwoner beperkt tot 0,3%, de kleinste afname van de provincie.

Gent telt jaarlijks 530 geboorten minder

Over de hele provincie daalde het gemiddelde aantal geboorten van 16.093 naar 14.641 per jaar, een afname van 9,0%. Gent heeft de grootste absolute daling: van 3.341 naar 2.811 geboorten per jaar, gemiddeld 530 minder en een afname van 15,9%. Daarna volgen Lokeren met 104 en Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht met gemiddeld 92 geboorten minder per jaar.

In Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht ging het aantal van 860 naar 768 per jaar, een daling van 10,7%. Sint-Niklaas telt juist meer geboorten: gemiddeld 918 tegenover 888, een stijging van 3,3%. Per inwoner daalde het aantal daar wel met 8,2%.

Vlaams-Brabant: 13,3% minder geboorten per inwoner, tegenover 19,3% landelijk

Vlaams-Brabant ging van 10,4 naar 9,0 geboorten per 1.000 inwoners. De afname van 13,3% is duidelijk kleiner dan de landelijke daling van 19,3%. Acht gemeenten laten een stijging per inwoner zien, terwijl het aantal in 55 gemeenten afnam.

Landen, Diest en Opwijk hebben de grootste dalingen per inwoner

Landen staat bovenaan met een afname van 30,4%, van 11,0 naar 7,7 geboorten per 1.000 inwoners. Diest volgt met 28,2%, van 10,2 naar 7,3, en Opwijk met 26,6%, van 12,0 naar 8,8. Ook het totale aantal geboorten daalde in deze gemeenten: met 27,1% in Landen, 22,7% in Diest en 20,4% in Opwijk.

Bij de totale aantallen heeft Oud-Heverlee na Landen de grootste procentuele daling van de provincie: 22,8%. Over drie jaar ging het daar van 298 naar 230 geboorten. De daling per inwoner bedraagt in Oud-Heverlee 25,8%.

Glabbeek heeft de sterkste stijging per inwoner

Glabbeek ging van 7,5 naar 8,5 geboorten per 1.000 inwoners, een toename van 13,6%. Daarbij gaat het om 119 tegenover 139 geboorten over drie jaar. Meise en Lennik volgen met 9,0% en 8,0% meer geboorten per inwoner. Meise telt gemiddeld 190 geboorten per jaar tegenover 158 voorheen; Lennik 80,3 tegenover 70.

De kleinste afname per inwoner ligt in Pajottegem: 0,4%. Linkebeek en Overijse volgen met 0,7% en 0,8%. In Vilvoorde bleef het totale aantal geboorten exact gelijk, op gemiddeld 562 per jaar, terwijl het aantal per inwoner met 13,7% daalde.

Leuven telt minder geboorten, Dilbeek en Meise meer

Provinciaal daalde het gemiddelde aantal geboorten van 11.436 naar 10.842 per jaar, een afname van 5,2%. Leuven heeft de grootste absolute daling: van 1.263 naar 996 geboorten per jaar, gemiddeld 267 minder. Het totale aantal daalde er met 21,1% en het aantal per inwoner met 26,2%.

Dilbeek heeft juist de grootste absolute toename: van gemiddeld 377 naar 424 geboorten per jaar, 12,4% meer. De sterkste procentuele stijging ligt in Meise, met 20,5% meer geboorten. Wemmel en Merchtem volgen met toenames van 18,7% en 17,9%, van gemiddeld 171 naar 203 en van 167 naar 197 geboorten per jaar.

Waals-Brabant: 21,0% minder geboorten per inwoner, tegenover 19,3% landelijk

In Waals-Brabant daalde het aantal geboorten van 10,1 naar 8,0 per 1.000 inwoners. De afname van 21,0% is groter dan de landelijke 19,3%. Alle 27 gemeenten tellen minder geboorten per inwoner, al zijn er twee waar het totale aantal geboorten wel toenam.

Terhulpen heeft de sterkste daling per inwoner

Terhulpen ging van 12,3 naar 7,8 geboorten per 1.000 inwoners, een afname van 37,2%. Over drie jaar daalde het totale aantal geboorten van 276 naar 175, of van gemiddeld 92 naar 58,3 per jaar. Dat is een afname van 36,6%, eveneens de grootste procentuele daling van de provincie.

Orp-Jauche en Ottignies-Louvain-la-Neuve volgen met 35,0% en 34,0% minder geboorten per inwoner. In Orp-Jauche daalde het aantal van 12,5 naar 8,1 per 1.000; in Ottignies-Louvain-la-Neuve van 11,2 naar 7,4. Hun gemiddelde aantallen geboorten namen af van 105 naar 73,7 per jaar en van 349 naar 234.

Kleinste daling per inwoner in Chaumont-Gistoux

De kleinste daling per inwoner ligt in Chaumont-Gistoux: 1,8%, van 8,2 naar 8,0 geboorten per 1.000 inwoners. Waver en Tubeke volgen met afnames van 11,5% en 11,6%. In Waver daalde het gemiddelde aantal geboorten van 309 naar 292 per jaar, een afname van 5,4%.

Tubeke en Chaumont-Gistoux zijn de enige gemeenten met meer geboorten in absolute aantallen. Tubeke ging van gemiddeld 261 naar 271 per jaar, 3,8% meer. In Chaumont-Gistoux gaat het om één extra geboorte over drie jaar: 285 tegenover 284, een stijging van 0,4%. Die kleine toename gaat dus samen met een daling per inwoner.

Ottignies-Louvain-la-Neuve telt jaarlijks 115 geboorten minder

De provincie telt gemiddeld 3.305 geboorten per jaar tegenover 3.903 in de beginperiode, een afname van 15,3%. Ottignies-Louvain-la-Neuve heeft de grootste absolute daling: gemiddeld 115 geboorten minder per jaar, een afname van 33,0%.

Nijvel volgt met gemiddeld 303 tegenover 229 geboorten per jaar, 24,5% minder. In Eigenbrakel ging het aantal van 382 naar 314, een daling van 17,8%. Het aantal geboorten per inwoner daalde in Nijvel met 30,6% en in Eigenbrakel met 20,9%.

West-Vlaanderen: 12,6% minder geboorten per inwoner, tegenover 19,3% landelijk

West-Vlaanderen heeft met 12,6% de kleinste daling per inwoner van de tien Belgische provincies. Het aantal geboorten ging van 9,7 naar 8,5 per 1.000 inwoners, tegenover een landelijke afname van 19,3%. In 57 gemeenten daalde het aantal geboorten per inwoner; vijf gemeenten laten een stijging zien.

Sterkste dalingen per inwoner in Middelkerke, Koekelare en Lo-Reninge

Middelkerke heeft met 36,4% de grootste daling per inwoner van de provincie, van 7,0 naar 4,5 geboorten per 1.000 inwoners. Koekelare volgt met 34,9%, van 11,4 naar 7,4. In Lo-Reninge daalde het aantal van 11,0 naar 7,4 per 1.000, een afname van 32,4%.

Lo-Reninge heeft wel de sterkste procentuele afname in het totale aantal geboorten: 34,9%, van 109 naar 71 over drie jaar. Koksijde volgt met 34,3% minder geboorten, van 350 naar 230 over drie jaar. Middelkerke telt 33,5% minder geboorten, met 403 tegenover 268.

Veurne heeft de sterkste stijging per inwoner

In Veurne steeg het aantal geboorten per 1.000 inwoners van 6,9 naar 8,1, een toename van 16,9%. Over drie jaar nam het aantal geboorten toe van 237 naar 304, oftewel 28,3% meer. Zowel per inwoner als in het totale aantal is dat de sterkste procentuele stijging van de provincie.

Ook elders nam het aantal geboorten per inwoner toe: met 3,9% in Kuurne, 3,8% in Jabbeke, 3,3% in Ardooie en 2,1% in Knokke-Heist. In Knokke-Heist daalde het totale aantal geboorten juist met 2,2%: van gemiddeld 185 naar 181 per jaar. In Roeselare is de beweging omgekeerd: 1,8% meer geboorten, van gemiddeld 650 naar 662 per jaar, maar 9,7% minder per inwoner.

Brugge heeft de grootste absolute afname

Provinciaal daalde het gemiddelde aantal geboorten van 11.412 naar 10.459 per jaar, een afname van 8,4%. Brugge heeft de grootste absolute daling: van 1.048 naar 903 geboorten per jaar, gemiddeld 145 minder en een afname van 13,8%.

Wevelgem volgt met gemiddeld 334 tegenover 279 geboorten per jaar, een daling van 16,6%. Torhout ging van 217 naar 172, 20,9% minder. In Kortrijk is de daling kleiner: van gemiddeld 860 naar 827 geboorten per jaar, een afname van 3,9% in totaal en 10,1% per inwoner.

Brussels Hoofdstedelijk Gewest: 31,2% minder geboorten per inwoner, tegenover 19,3% landelijk

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest daalde het aantal geboorten van 16,1 naar 11,0 per 1.000 inwoners. De afname van 31,2% is groter dan in Vlaanderen en Wallonië en dan de Belgische daling van 19,3%. Alle negentien Brusselse gemeenten tellen zowel per inwoner als in absolute aantallen minder geboorten.

Sint-Gillis heeft de sterkste daling per inwoner

In Sint-Gillis ging het aantal geboorten van 16,3 naar 9,9 per 1.000 inwoners, een afname van 39,0%. Sint-Joost-ten-Node volgt met 36,8%, van 18,7 naar 11,8. Sint-Jans-Molenbeek staat op de derde plaats: 35,1% minder geboorten per inwoner, van 20,0 naar 13,0 per 1.000.

Ook de totale aantallen daalden sterk. Sint-Gillis ging van gemiddeld 810 naar 487 geboorten per jaar, een afname van 39,9%. Sint-Joost-ten-Node telt gemiddeld 320 geboorten tegenover 510 voorheen, 37,2% minder. In Sint-Jans-Molenbeek ging het aantal van 1.881 naar 1.280 per jaar, een afname van 32,0%.

Watermaal-Bosvoorde heeft de kleinste daling

Watermaal-Bosvoorde heeft met 9,9% de kleinste procentuele daling per inwoner: van 8,8 naar 7,9 geboorten per 1.000 inwoners. Het gemiddelde aantal geboorten daalde er van 214 naar 200 per jaar, 6,4% minder.

Daarna volgen Sint-Agatha-Berchem en Ukkel, waar de afnames per inwoner 20,4% en 21,3% bedragen. Sint-Agatha-Berchem ging van gemiddeld 336 naar 297 geboorten per jaar, een daling van 11,7%. Ukkel telt gemiddeld 739 geboorten tegenover 863, 14,4% minder.

Grootste absolute afname in Schaarbeek

Het gewest telt gemiddeld 13.827 geboorten per jaar tegenover 18.390 in de beginperiode, een afname van 24,8%. Schaarbeek heeft de grootste absolute daling: van 2.492 naar 1.641 geboorten per jaar. Dat zijn gemiddeld 850 geboorten minder, een afname van 34,1%.

De gemeente Brussel volgt met gemiddeld 609 geboorten minder per jaar, van 2.802 naar 2.193, een daling van 21,7%. Sint-Jans-Molenbeek telt jaarlijks gemiddeld 601 geboorten minder. In Anderlecht daalde het aantal van 2.023 naar 1.656 per jaar, een afname van 18,1%.

Waar worden nu de meeste en minste kinderen per inwoner geboren?

Ook na een sterke daling kan het aantal geboorten per inwoner hoog zijn. De onderstaande ranglijsten laten zien waar dit aantal in 2023–2025 het hoogst en het laagst lag.

Koekelberg staat bovenaan met jaarlijks 13,6 geboorten per 1.000 inwoners, gevolgd door Sainte-Ode met 13,3 en Sint-Jans-Molenbeek en Anderlecht met allebei 13,0. De schaal verschilt sterk: Koekelberg telt gemiddeld 310 geboorten per jaar, Sainte-Ode 36. Een hoog cijfer per inwonerhoeft dus niet te betekenen dat er in totaal veel kinderen worden geboren.

De vijf gemeenten met de meeste geboorten per 1.000 inwoners in 2023–2025. Alle cijfers zijn gemiddelden per jaar.

  • Koekelberg: 13,6 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. In totaal gemiddeld 310 geboorten per jaar.
  • Sainte-Ode: 13,3 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. In totaal gemiddeld 36 geboorten per jaar.
  • Sint-Jans-Molenbeek: 13,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. In totaal gemiddeld 1.280 geboorten per jaar.
  • Anderlecht: 13,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. In totaal gemiddeld 1.656 geboorten per jaar.
  • Herbeumont: 12,8 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. In totaal gemiddeld 22,3 geboorten per jaar.

Herstappe telt in deze drie jaren geen geboorten. Daarna volgen Koksijde met 3,6 geboorten per 1.000 inwoners, Middelkerke met 4,5 en Nieuwpoort met 4,8. Zeven van de tien gemeenten met het laagste geboortecijfer liggen aan de West-Vlaamse kust: Koksijde, Middelkerke, Nieuwpoort, Knokke-Heist, De Haan, De Panne en Blankenberge.

De vijf gemeenten met de minste geboorten per 1.000 inwoners in 2023–2025. Alle cijfers zijn gemiddelden per jaar.

  • Herstappe: 0,0 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. In totaal gemiddeld 0 geboorten per jaar.
  • Koksijde: 3,6 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. In totaal gemiddeld 76,7 geboorten per jaar.
  • Middelkerke: 4,5 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. In totaal gemiddeld 89,3 geboorten per jaar.
  • Nieuwpoort: 4,8 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. In totaal gemiddeld 55,3 geboorten per jaar.
  • Knokke-Heist: 5,6 geboorten per 1.000 inwoners per jaar. In totaal gemiddeld 181 geboorten per jaar.

Waar is het aandeel gezinnen met drie of meer thuiswonende kinderen het hoogst?

Naast de ontwikkeling van geboorten onderzocht YourSurprise waar relatief veel grote gezinnen wonen. Op 1 januari 2021 hadden in België 334.680 gezinnen drie of meer thuiswonende kinderen, blijkt uit Census 2021. Dat was 17,6% van de 1.897.879 gezinnen met thuiswonende kinderen. Deze gegevens zijn beschikbaar per arrondissement: een gebied dat uit meerdere gemeenten bestaat.

Hoogste aandeel in Brussel-Hoofdstad, Antwerpen en Bastenaken

Het arrondissement Brussel-Hoofdstad staat bovenaan. Daar heeft 23,4% van de gezinnen met thuiswonende kinderen er drie of meer. Het gaat om 47.056 gezinnen. Het arrondissement Antwerpen volgt met 21,3%, oftewel 35.337 gezinnen. In Bastenaken is het aandeel 20,5%, bij 1.753 gezinnen.

Neufchâteau en Verviers volgen met 19,6% en 19,0%. Aan de andere kant van de ranglijst staan Brugge met 13,1%, Tongeren met 13,5% en Veurne en Tielt met allebei 13,6%. Het verschil tussen Brussel-Hoofdstad en Brugge bedraagt daarmee 10,3 procentpunt.

De tien arrondissementen met het hoogste aandeel gezinnen met drie of meer thuiswonende kinderen, op 1 januari 2021. Het aandeel is berekend onder gezinnen met minstens één thuiswonend kind.

  • Brussel-Hoofdstad: 23,4%. Dat zijn 47.056 gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Antwerpen: 21,3%. Dat zijn 35.337 gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Bastenaken: 20,5%. Dat zijn 1.753 gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Neufchâteau: 19,6%. Dat zijn 2.146 gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Verviers: 19,0%. Dat zijn 9.095 gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Charleroi: 18,8%. Dat zijn 13.284 gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Halle-Vilvoorde: 18,8%. Dat zijn 21.529 gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Sint-Niklaas: 18,5%. Dat zijn 7.590 gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Virton: 18,3%. Dat zijn 1.761 gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen.
  • Luik: 18,2%. Dat zijn 19.217 gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen.

Grote gezinnen: hoogste aandeel in de provincie Antwerpen, laagste in Limburg

Bij de provincies loopt het aandeel uiteen van 19,0% in Antwerpen tot 14,4% in Limburg. Luxemburg volgt na Antwerpen met 18,6%, daarna Luik met 17,9%. In het Vlaams Gewest heeft 16,7% van de gezinnen met thuiswonende kinderen er drie of meer; in het Waals Gewest is dat 17,3%. Het Brusselse gewest komt uit op 23,4%.

Hier gaat het om kinderen die nog thuis wonen, ook als ze meerderjarig zijn. De cijfers zeggen dus niet hoeveel kinderen ouders in totaal hebben gekregen. Kinderen die al uit huis zijn, tellen in dit overzicht niet mee.

Waar krijgen vrouwen gemiddeld het jongst en het oudst hun eerste kind?

Vrouwen in België waren in 2023 gemiddeld 29,7 jaar toen ze hun eerste kind kregen. Ook deze regionale vergelijking maken we op het niveau van arrondissementen. In Philippeville werden vrouwen gemiddeld het jongst voor het eerst moeder: met 27,6 jaar. In Nijvel lag die leeftijd met 31,2 jaar het hoogst. Het verschil bedraagt 3,6 jaar.

Philippeville en Veurne onder 29 jaar, Nijvel en Leuven boven 30

Na Philippeville volgen Veurne met 28,1 jaar en Charleroi en La Louvière met allebei 28,2 jaar. In Eeklo kregen vrouwen gemiddeld met 28,4 jaar hun eerste kind. Aan de andere kant staan, na Nijvel, Brussel-Hoofdstad met 30,9 jaar en Leuven met 30,7 jaar. In Aarlen was dat 30,3 jaar en in Halle-Vilvoorde en Gent 30,2 jaar.

Provinciaal verschil van 2,5 jaar tussen Henegouwen en Waals-Brabant

Op provinciaal niveau kregen vrouwen in Henegouwen gemiddeld het jongst hun eerste kind, met 28,7 jaar. In Waals-Brabant waren zij met 31,2 jaar gemiddeld het oudst: een verschil van 2,5 jaar. Vlaams-Brabant volgt met 30,4 jaar. In Vlaanderen als geheel lag de gemiddelde leeftijd op 29,7 jaar en in Wallonië op 29,2 jaar. Het Brusselse gewest kwam uit op 30,9 jaar.

Gemiddelde leeftijd van vrouwen bij de geboorte van hun eerste kind in 2023. De tien provincies, van de laagste naar de hoogste leeftijd.

  • Henegouwen: 28,7 jaar.
  • West-Vlaanderen: 29,0 jaar.
  • Luxemburg: 29,2 jaar.
  • Namen: 29,2 jaar.
  • Luik: 29,3 jaar.
  • Oost-Vlaanderen: 29,6 jaar.
  • Antwerpen: 29,7 jaar.
  • Limburg: 29,8 jaar.
  • Vlaams-Brabant: 30,4 jaar.
  • Waals-Brabant: 31,2 jaar.

Ter vergelijking: Brussels Hoofdstedelijk Gewest: 30,9 jaar.

Ter vergelijking: België: 29,7 jaar.

Onderzoeksverantwoording

Bronnen en perioden

YourSurprise analyseerde de geboorte- en bevolkingscijfers van Statbel. De hoofdvergelijking gaat voor heel België, de gewesten, provincies en gemeenten over 2011–2013 en 2023–2025. De gebruikte gemeentelijke reeks begint in 2011; 2025 is het laatste volledige jaar. Voor zowel het aantal geboorten per 1.000 inwoners als de totale geboorteaantallen gebruiken we deze twee perioden van elk drie jaar. Daardoor weegt een afzonderlijk jaar met veel of weinig geboorten minder zwaar mee.

Berekening van geboorten per inwoner en veranderingen

Het gemiddelde jaarlijkse aantal geboorten is het totaal over drie jaar gedeeld door drie. Voor het cijfer per 1.000 inwoners delen we dit jaargemiddelde door de gemiddelde bevolking in dezelfde periode en vermenigvuldigen we de uitkomst met 1.000. De bevolking per jaar is het gemiddelde van het inwonertal op 1 januari en op 1 januari van het daaropvolgende jaar.

De procentuele verandering is berekend door de uitkomst van 2023–2025 te delen door die van 2011–2013, daarvan één af te trekken en met 100 te vermenigvuldigen. Alle berekeningen en ranglijsten gebruiken de onafgeronde cijfers. De cijfers in de tekst en opsommingen zijn afgerond; daardoor kan een percentage of verschil niet altijd exact worden nagerekend met alleen de getoonde waarden. Het cijfer per 1.000 inwoners corrigeert voor bevolkingsomvang, niet voor leeftijdsopbouw.

Alle 565 gemeenten, op dezelfde grenzen

Voor beide historische vergelijkingen gebruiken we alle 565 gemeenten volgens de indeling van 2025. Bij volledige samenvoegingen zijn de geboorten en bevolkingscijfers van de vroegere gemeenten opgeteld, zodat we in beide perioden hetzelfde gebied vergelijken. Dit is ook doorgevoerd in de provinciecijfers. Zwijndrecht telt bijvoorbeeld in beide perioden mee bij Oost-Vlaanderen, als onderdeel van Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht.

Er geldt geen minimumaantal geboorten. Kleine gemeenten blijven dus in de ranglijsten staan. Een groot percentage kan daar over weinig geboorten gaan; bij zulke uitschieters geven we de absolute aantallen erbij. De landelijke, gewestelijke en provinciale uitkomsten zijn berekend uit de opgetelde geboorten en bevolkingscijfers, niet uit een gemiddelde van gemeentelijke percentages. Het aanvullende overzicht van de hoogste en laagste recente geboortecijfers gebruikt eveneens alle 565 gemeenten, maar toont alleen het niveau in 2023–2025.

De actuele aanleiding: de eerste helft van 2026

De intro gebruikt de voorlopige kwartaalcijfers van Statbel, gepubliceerd op 22 september 2026. Daarin zijn 54.257 geboorten in januari tot en met juni 2026 vergeleken met 53.959 in dezelfde maanden van 2025: 298 meer, oftewel 0,6%. Beide aantallen komen uit dezelfde voorlopige reeks. Deze halfjaarcijfers staan los van de hoofdvergelijking met volledige jaren en kunnen nog worden bijgesteld.

Gezinnen met drie of meer thuiswonende kinderen

De gezinscijfers komen uit Census 2021 van Statbel en hebben als peildatum 1 januari 2021. We delen het aantal gezinnen met minstens drie thuiswonende kinderen door alle gezinnen met minstens één thuiswonend kind. Statbel noemt zo’n gezin een familiekern: één ouder of een ouderpaar met thuiswonende eigen, geadopteerde of stiefkinderen. Er geldt geen leeftijdsgrens voor de kinderen; zij hebben binnen het huishouden geen eigen partner of kind. Eén huishouden kan meerdere familiekernen bevatten.

We leiden het aantal gezinnen met drie of meer kinderen af uit het type gezin en het aantal personen: minstens vier personen bij een eenoudergezin en minstens vijf bij een ouderpaar. Deze gecombineerde gegevens zijn beschikbaar voor 43 arrondissementen. Provincie- en gewestcijfers zijn berekend door de aantallen op te tellen. We gebruiken de gebiedsindeling van de Census-bron.

Leeftijd bij het eerste kind

De gemiddelde leeftijd bij het eerste kind komt uit het Statbel-bestand Geboorten en vruchtbaarheid over 2023. We gebruiken de gepubliceerde gemiddelden voor België, de gewesten, provincies en arrondissementen. Deze cijfers gaan uitsluitend over vrouwen die hun eerste kind kregen, niet over alle geboorten. We houden de gebiedsindeling van dit bronjaar aan. De aanvullende gezins- en leeftijdscijfers beschrijven dus ieder een eigen jaar en worden niet gebruikt om de verandering in geboorten tussen 2011–2013 en 2023–2025 te berekenen.